Op 25 mei 1886 stond Achel – vooral het dorpscentrum dan – in rep en roer. Er was opschudding ontstaan omtrent een babymoord in de bekende herberg de 'Prins van Luik'. Een babylijkje werd gevonden in de beerput van het toilet van het logement.
Maandenlang werd er geroddeld over het feit dat de uitbaatster van de herberg – de weduwe Barbara Breemans was toen 33 jaar – zwanger was. In de akte van beschuldiging wordt daar zelfs melding van gemaakt. Ondanks al de geruchten bleef de weduwe ontkennen dat ze zwanger was.
Men kan zich wel voorstellen onder welke psychologische druk deze vrouw moet gestaan hebben - in een door en door katholiek Achel - toen het ogenblik zich aankondigde dat het kind ter wereld zou komen. De beschuldigde werd aangehouden en opgesloten in de gevangenis te Tongeren.
De boreling kwam ter wereld op het toilet. De WC heette toen het 'huuske' of ‘het gemak’, een klein hokje met daarin een plank om op te zitten In de plank was een gat gemaakt voor de toiletgebruiker en door het gat van het 'huuske' keek men recht in de beerput. In de deur stond meestal een hartje uitgesneden.
Op zo'n plaats speelde zich daar op 26 mei 1886 – voor de vrouw des huizes – een drama af. Kort na de bevalling trof men in de beerput een babylijkje aan. Het parket stapte af in wat nu de Dorpsstraat heet. De getuigenverslagen werden opgetekend in het gemeentehuis van Achel. Er werden 16 getuigen opgeroepen, waarvan 10 uit Achel. Het assisenproces vond plaats in Tongeren op maandag 9 augustus 1886. Opvallend is dat het assisenproces al drie maanden later plaatsvond. Tegenwoordig hanteren ze andere normen, soms wel twee jaar nadat het misdrijf werd gepleegd.
Gedeelte uit de Ferrariskaart van Achel centrum Achel
Prins van Luik
In het centrum van Achel waren meerdere logementhuizen of herbergen. Ze werden gerund als café en enkele kamers waren voorzien als overnachtingplaats voor personen op doorreis, of zoals vandaag Bed & Breakfast (B&B). Herberg Prins van Luik stond op de plaats waar nu het warenhuis De Spar en het appartementsblok van de familie Govers-Stevens gelegen is in de Dorpsstraat. Op de Ferrariskaart van 1777 vinden we deze locatie terug (zie illustratie). Om een idee te geven waar precies de herberg gelegen was, duiden we enkele bekende gebouwen zoals de kerk, afspanning Koeckhofs (waar nu de kiosk staat), en de herberg zelf. De uitbaters van het logement verkochten ook kolen.
In de akte van beschuldiging is er sprake van een zekere Jan Didden. De man had in het verleden een aantal bevallingen gedaan, zoals blijkt uit een gerechtsverslag van 30 december 1873. De 'vroedman' – ook al was hij officieel maar een gewone dagloner - had niet alleen drie bevallingen bij zijn eigen vrouw gedaan, maar ook bij drie andere vrouwen. In het assisenproces van de kindermoord wordt deze Jan Didden opgeroepen als getuige omdat hij de weduwe tijdens haar zwangerschap 'gevisiteerd' zou hebben. Hierna volgt de akte van beschuldiging. De handgeschreven tekst omvat 6 pagina's. We houden de oude schrijfwijze aan – in cursief – om de lezer een beeld te geven van het taalgebruik op het einde van de 19de eeuw.
Zaak van Breemans, Wed. Teuwkens
Beschuldigings Acte
Procureur Generaal bij het hof van beroep van Luik, verklaart dat door arrest van den 11 juli 1886, het hof, kamer van Inbeschuldiginstelling voor het assisen, hof der Provincie Limburg heeft verzonden, om er volgens de wet geoordeeld te worden, de genaamde Maria Barbara Breemans, weduwe Teuwkens, aangehouden, oud 33 jaren, herbergierster, geboren te Hamont, gehuisvestigd te Achel.
Uit de geding stukken blijken de volgende feiten.
Uit het huwelijk van Maria Barbara Breemans, weduwe van Pieter Adriaan Teuwkens wier huwelijk ontbonden is den 20 -9ber- 1882 (9 september 1882) zijn drie kinderen gesproten, waarvan twee nog leven.
Gedurende de maand Mei laatsleden was zij gekomen tot eene zwangerheid van 8 maanden, waarvan de uitwendige teekens sedert lang bemerkt waren geweest en waarvan men veel sprak in Achel, woonplaats der betichte.
Nogtans, in menige omstandigheden was Barbara Breemans hardnekkig opgekomen tegen de geruchten, welke wegens hare staat in omloop waren. Zekeren dag had zij verklaard aan doctor Smeets van Overpelt dat zij gereed was zich te laten onderzoeken door hem, ten einde deze geruchten te doen ophouden. Maar deze geneesheer, zich deze zaak niet willende bemoeien, weigerde dit stoute voorstel te aanvaarden, daar het voortkwam van eene vrouw die reeds 8 maanden bezwangerd was.
Den 25ste Mei had Maria Breemans des smorgens haar gewone bezigheden vericht. Na het middagmaal genomen te hebben was zij eensklaps verdwenen. Haar moeder, kinders en dienstboden waren om verscheiden rede uitgegaan. De schoonbroeder der beschuldigde, Wilhelm Sjonkeren haar nutteloos gezocht hebbende, en niemand te huis vindende, maakte dit feit bekend aan eene geburin Petronella Van Otterdijk vrouw Peels. Deze wist dat de Weduwe Teuwkens bezwangerd was, zij had achterdocht en deelde dit mede aan eene geburin vrouw Van Lieshout, haar aanradende zich te ondervragen over hetgeen kon gebeuren.
Boterkarn: Zuivelmuseum te BlankenbergeVrouw Van Lieshout begaf zich twee maal bij de beschuldigde zonder haar te ontmoeten. Wedergekeerd bemerkt zij ze in eene gang waar eene boterkarn geplaatst was. Barbara Breemans, zich op dit voorwerp leunende, beantwoorde aan de vragen der geburin dat zij uit de aardappelen kelder kwam en na met moeite eenige schreden gedaan te hebben bezweek ze eensklaps. Ondertussen, tot haar zelve terug gekomen, trad zij de keuken binnen,waar zij verzorgd wierd, en begaf zich naar hare kamer trachtende, den staat waarin zij zich bevondt door eene bezwijming uit te leggen.
Het toneel waarvan vrouw Van Lieshout getuige geweest was, en de vermindering der ruimte van het lijf der Weduwe Teuwkens, dat zij terzelfde tijd bemerkte, deden haar klaar zien. Zij begaf zich naar het gemak, rakende aan het zwijnenhok, zij nam den houten deksel op, dat de kuil, gelegen achter het gemak bedekte, daar ontdekte zij het lijk van een pasgeboren kind, liggende in de vuilnissen bijna in het midden der kuil , op zulke wijze dat men rug en benen zag.
Op het hoofd, gedraaid langs het redelijk eng kanaal dat het gemak met de kuil verbindt, lag de nageboorte.
Het lijk werd er met voorzorg uitgetrokken op bevel van de burgemeester der plaats, aanstonds verwittigd. Het geneeskundig onderzoek, gedaan gedurende de instructie, door de doctors Smets en Vlasloir heeft bewezen dat het kind, op tijd, leefbaar geboren is en dat het geademd heeft. Het draagt in de linkerstreek van de nek, in de plooi gevormd door de vereeniging van den hals met het hoofd eene blauwe plek gaande tot aan het strottenhoofd (larynx) en met de welke overeenkwam eene uitstorting zwart bloed in het celweefsel onder de huid, hebbende eene uitgestrekheid van 3 tot 4 centimeters.
In tegenwoordigheid dezes bevestiging hebben de wet doktoren te kennen gegeven dat het kind verstikt is door de samendrukking van het strottenhoofd bij middel van den duim. De afwezigheid van alle vreemde stof in de luchtpijp en in het strottenhoofd heeft hun de overtuiging gegeven dat het kind opgehouden had te leven wanneer men het in de mest gier kuil geworpen heeft.
De geneesheren aangesteld door het gerecht hebben ook op de persoon der beschuldigde teekens van eene pas gebeurde verlossing bestadigd.
Onmiddelijk na het ontdekken van het lijk had vrouw van Lieshout zich begeven in de slaapkamer van Barbara Breemans, die haar door het venster geroepen had.
De beschuldigde zegde aan de vrouw dat haar een ongeluk gebeurd was en verzocht deze haar te helpen, verklarende dat zij een stuk misvormd vleesch kwijt geraakt was. Daar de vrouw weigerde zulke leugens te begaan zegde de Weduwe dat het kind gelukkig was, dat zij het gedoopt had, dat het nauwelijks geleefd had, dat zij de nageboorten weggenomen had en den navelstreng gebroken had.
Zij smeekte ook vrouw van Lieshout haar eenige kleine voorwerpen te geven dienende tot gebruik van een pas geboren kind ten einde met deze te laten zien, te doen geloven aan toebereidsels die zij wezenlijk niet gedaan had.
Drie dagen later, bekent Barbara Breemans aan den Vrederechter van het kanton Achel, dat zij in den namiddag van den 25 ste Mei naar het gemak gegaan was, daar overvloedig water geloosd had en dat als dan het kind gekomen was; dat zij het met het hoofd genomen had en geplaatst naast haar op den boord van den bril, den navelstreng gebroken en het kind gedoopt had.
In het dossier van de babymoord be-vond zich een situatieschets van het toilet van herberg de Prins van Luik
Verder, zegt zij aan den rechter, heeft zij het kind na dat het reeds opgehouden had te leven, geworpen door den bril in het gemak; dan haar plaats weder innemende, is tien minuten later, de nageboorte gekomen. Zij heeft vervolgens het gemak gereinigd en het bloed afgeveegd met hare voorschoot dat zij in het gemak geworpen heeft. Men heeft inderdaad dat voorschoot vol van bloedklonters uit het gemak getrokken.
De verlossing zou, naar het zeggen der beschuldigde, zonder de minste pijn gebeurd zijn. Later is zij gedeeltelijk op de verklaring terug gekomen en heeft beweerd het kind niet genomen te hebben, maar dat na hevige pijnen in den buik het kind gekomen is en in de kuil ontglipt. Dan zou zij zich een weinig verplaatst hebben om de navelstreng te ontrukken. De onderstelling van de schuring des hals tegen de boord des bril, gedurende dat zij deze werking verrichte zou, volgens haar uitleggen, het letsel te weeg gebracht hebben welke men bemerkt heeft aan de keel van het kind.
De onderzoeksrechter van Hasselt heeft ten deze opzichte bestatigd dat de zijkanten van den bril niet scherp waren.
Om uit te leggen waarom zij geenen kinderkorf heeft doen maken, zegt de Weduwe Teuwkens dat ze dacht niet zwanger te zijn, vermits zij zich in de maand Februari had laten onderzoeken door eenen ervarings arts (empirique), Jan Didden.genaamd. Deze had haar verzekerd dat zij geen kind maar een vuile levenlooze vleesch klomp droeg en dat zij dit geloofd had.
Jan Didden heeft eerst ontkend de beschuldigde onderzocht te hebben, dan in hare tegenwoordigheid gesteld, bekent hij het gedaan te hebben. In het vervolg betwist hij opnieuw de waarheid ter bijbrenging van B. Breemans en eindigt met te zeggen dat het mogelijk is dat hij haar een lichamelijk bezoek heeft doen ondergaan, maar dat hij in dit geval dronken moest zijn. Wat het ook moge zijn, is het toegelaten te verzekeren dat Vrouw Teuwkens, uit reden vooral van hare drie voorgaande kramen, zich niet heeft kunnen vergissen over de natuur der verschijnsel die zich in haar vertoonden, verschijnsels die zij gemakkelijk kon in verband brengen met nauwe betrekking die zij zelve staande houdt gehad te hebben, een avond op het einde van de maand Augusti, verleden jaar, in hare herberg, met een zekeren plafoneur van Brussel alsdan in kost bij haar.
De omvang van het kind, op tijd geboren, bewijst dat de zaken niet hebben kunnen gebeuren zijn gelijk zij het beweert, en dat zij gedurende eenen zekeren langen tijd de geboren smarten moet geleden hebben.
Uit al de omstandigheden hierboven samen gevat blijkt dat indien het kramen plaats heeft gehad in het gemak gelijk het de beschuldigde aanhaalt, is het door eenen lange koele voorbedachte misdaad dat het kind het leven verloren heeft en in de kuil geworpen is geworden, waar men het bijna op het zelfde ogenblik gevonden heeft.
Diens volgens is Maria B. Breemans, Weduwe van Pieter Adriaan Teuwkens, oud 33 jaar, herbergierster geboren te Hamont, gehuisvestigd te Achel, aangehouden, beschuldigd van te Achel op 25 mei 1886 met inzicht om ter dood te brengen en met voorbedachten raad, eenen vrijwilligen doodslag te hebben begaan op haar onwettig kind, op het ogenblik van zijnen geboorten of onmiddellijk daarna.
Aldus opgesteld op het parquet van Luik den 16 Juli 1886
De advokaat generaal
Getekend: Leo Henoul
Voor eensluitende vertaling
(handtekening)
De vaststellingen van de onderzoeksrechter
Op 26 mei 1886 – omstreeks het middaguur – werden de vaststellingen verricht door onderzoeksrechter Ferdinand Boni van het gerechtelijk arrondissement Hasselt, bijgestaan door de heer Bamps, Procureur des Konings en Evarist Polus, adjunct-griffier. In de vroege avonduren – om 18.30 uur – werd het proces verbaal afgesloten en ondertekend.
Het Pro Justitia omvat twee handgeschreven pagina’s.

Hierbij de volledige tekst:
PRO JUSTITIA
Het jaar achttienhonderd zes en tachtig, den zes- en twintigsten Mei, des middags,
Wij Ferdinand Boni, onderzoeksrechter van het Rechterlijk Arrondissement Hasselt, vergezeld van den heer Bamps, Prokureur des Konings, en bijgestaan door Evariste Polus, adkunkt Griffier, telegrammen heden toegestuurd door den heer Burgemeester dezer gemeente, een pasgeboren kind is gevonden, en in plichtige is bewaakt (zie illustratie).
Bij onze aankomst bevinden wij den heer Burgemeester, alsmede den heer vrederechter van het kanton Achel, dewelke, in den voormiddag een voorlopig onderzoek heeft begonnen door het verhoor van drie getuigen van wiens verklaringen hij ons zijn proces verbaal overhandigd.
Wij nemen dadelijk kennis der plaatsen. De beerput waar het lijkje is ingevonden geworden, is bedekt met een houten deksel. De drek bevindt er zich in op eene diepte van ongeveer dertig centimeters. Van binnen in het gemak, van onder den bril tot aan den beerput, bestaat een klein gaatje, van omtrent vijf en twintig centimeters opening, in brikken gemaakt, en hebbende een sterke helling naar den put.
Het komt ons niet voor dat er bloedvlekken zich zouden bevinden op het hout van den bril van het gemak, noch op den vloer in brikken.
Rechtstreeks onder de opening van den bril doen wij wat opscheppen van het weinig stof hetwelk daar de kareelen bedekt. Wij bestadigen dat er in den drek zich bloed bevindt.
Wij doorlopen en onderzoeken de verscheidene vertrekken en aanhorigheden der woning Teuwkens. Nergens ontdekken wij bloedvlekken noch voorwerpen dewelke als verdacht ons zouden moeten voorkomen. Wij gaan daarna onmiddellijk over tot de ondervraging der verdachte, dewelke in haar slaapkamer, beneden, ter zijde der keuken, te bed ligt.
Vervolgens hooren wij op het gemeentehuis, als getuigen,Staels Maria-Gertrude, Weduwe Breemans, Plessers Maria, Winkelmolen Henri, Vanotterdijk Petronella, huisvrouw Peels, Martens Willem en Teuwkens Jan.
De geneesheer Vlaisloir van Neerpelt, door ons per telegram ontboden, niet verschijnende, gaat de geneesheer Smets van Overpelt, dewelke wij bij onze aankomst met den heer Vrederechter en griffier, ter plaatse van den voorvel voorval ontmoeten, in onze tegenwoordigheid over, ten gemeentehuize, tot de lijkbeschouwing en lijkopening van het pasgeboren kind van het mannelijk geslacht, hetwelk de heer Burgemeester ons verklaart daar gisterenavond overgebracht te hebben, van uit den beerput der woning van Weduwe Teuwkens, na hetzelve afgewasschen en gezuiverd te hebben.
Laatste gedeelte van het proces verbaal- Pro JustitiaWij nemen in beslag, als stuk ter overtuiging, den blauwe voorschoot dewelken ons verklaard wordt te zijn uitgehaald geworden onder den bril in het gemak langs het verkenskot. Hij is op verscheidene plaatsen bedekt met bloed en klonterbloed.
Afzonderlijke proces verbalen worden opgemaakt van de ondervraging der verdachte, nu de verhoren der getuigen en van de eedaflegging des geneesheers.
Wij gelasten den Commandant Boonen der brigade der gendarmen gevestigd te Overpelt, van de verdachte in hare woning te bewaken tot verder bevel.
Verplicht van onze bezigheden te staken ten zes en een half uren ’s avonds, maken ij ervan op onderhavig proces verbaal, hetwelk wij na voorlezing teeken met den heer Prokureur des Konings
en onze Griffier
Nota van de redactie
De betreffende burgemeester was Antoon Simons, burgemeester te Achel van 24 juli 1870 to 30 december 1890. Hij werd geboren te Achel op 24 juli 1817 en overleed er op 30 oktober 1897.
Antoon Simons woonde in het huidige Simonshuis, een statige teutenwoning in de huidige Generaal Dempseylaan. Zijn ouders waren Adriaan Simons en Antonia Leyssen. Uit het huwelijk, in 1813, sproten 9 kinderen: Jozef, Antoon, Helena, Adriaan, Hendrik, Johanna, Jan, Alexander en Willem. Deze laatste volgde zijn broer Antoon op als burgemeester van Achel. De familie Simons waren teuten en zeer bemiddeld. ([2])
In een volgende bijdrage laten we een aantal getuigen aan het woord.
Op de ‘Lijst der Getuigen’ staan 16 namen:
Pro Justitia van de lijst van de getuigen
- Karel Moors kommisaris der Buurtwegen Neerpelt
- Ferdinand Boni onderzoeksrechter Hasselt
- Joseph Gielen vrederechter Achel
- Eugène Smets geneesheer Overpelt
- Leon Vlasloir geneesheer Neerpelt
- Petronella Vanotterdijk huishoudster (37 jaar) Achel
- Johanna Maria Ghuys winkelierster (45 jaar) Achel
- Willem Martens dagloner (50 jaar) Achel
- Antoon Simons burgemeester (69 jaar) Achel
- Francisca Peeters dienstmeid (22 jaar) Achel
- Maria Plessers dienstmeid (21 jaar) Achel
- Hendrik Winkelmolen dienstknecht (40 jaar) Achel
- Cathérine Bloemen dienstmeid (21 jaar) Achel
- Cathérine Simkens dienstmeid (22 jaar) Achel
- Jan Balthazar Didden dagloner(60 jaar) Achel
- Isidore Boonen brigade der gendarmen Overpelt

Verdachte Barbara Breemans had op dat ogenblik twee kinderen. In de bevolkingsregisters van 1881-1890 van de gemeente Achel vinden we de gezinssamenstelling terug
Op het ogenblik dat de bevolkingsregister werd opgesteld, was de echtgenoot van Barbara Teuwkens, Peter Adriaan Teuwkens nog in leven. Teuwkens was landbouwer van beroep en geboren te Achel in 1838. Hij was 15 jaar ouder dan zijn vrouw Barbara Breemans (°Hamont 1853). Het gezin woonde voor die tijd in een ruime en riante woning in de Dorpsstraat en stond op de plaats waar nu supermarkt Spar en het appartementenblok zijn gebouwd (zie aanduiding pijl).
Tweede verhoor Barbara Breemans
Op donderdag 27 mei 1886 vond in het huis van de verdachte Barbara Breemans een tweede verhoor plaats door 'instructierechter' (onderzoeksrechter) Ferdinand Boni. Hierna volgend kunt u de vragen lezen van Ferdinand Boni (V) en antwoorden (A) van Barbara Breemans uit het handgeschreven Pro Justitia.
V – Hebt gij iets te veranderen of bij te voegen aan uwe vorige verklaringen?
A – Ja. Over drie maanden omtrent heb ik mij eens laten visiteren door Jan Didden die nogal bekend is om raad aan vrouwspersonen te geven. Hij heeft mij gevisiteerd, en verzekerd dat ik geen kind had, maar een onbekwame vrucht. Dat ik ook kon op het huisje gaan als ik iets voelde, en dat ik hem maar moest roepen als ik hulp noodig had. Maar ik heb niet van doen gehad van hem te roepen.
V – De doktoors hebben het kind goed onderzocht en volgens hun is het kind gansch goed levend ter wereld gekomen, en is dus vermoord gevonden?
A – Ik heb het kind niet in handen gehad.
V – Is Didden niet bij u geweest?
A – Nota van de griffier: “De verdachte, na aanhouden, eindigt met te bekennen dat hij (Jan Didden, nvdr) vrijdags naar ginds rond tien uur hier is geweest in de herberg maar niet met haar alleen. Hij heeft een bussel erwtenrijzers gebracht”.
V – Heeft hij u iets gezegd van uwen staat?
A – Neen van niets.
Nota van de griffier: “De verdachte schijnt ons sterk ontsteld of bedroefd. De tijd ontbreekt ons om de ondervraging voort te zetten”.
Voorgelezen volhartdt en teekent
B Breemans – Ferdinand Boni – Evarist Polus (griffier)
Mie Guys
Mie GuysIn de akte van beschuldiging – zie vorige Kapetulie van pagina 6 tot 11 – wordt in het feitenrelaas de belangrijkste getuige opgevoerd, namelijk mevrouw Joanna Maria Van Lishout-Guys, in het Achel van die tijd meer bekend als 'Mie Guys'. Zij heeft namelijk de dode baby in de drek van de beerput zien liggen. Het getuigenverhoor werd uitgeschreven op vijf A4-pagina's. In het verslag van het getuigenverhoor van Mie Guys wordt haar naam als 'Ghuys' geschreven. Zij ondertekent haar document als J.M. Guys.
Nadat buurvrouw Petronella Peels-Van Otterdijk op dinsdag 25 mei 1886 door de schoonbroer (Willem Sjonkeren) van Barbara Breemans op de hoogte werd gebracht dat zijn schoonzus Barbara Breemans nergens te bespeuren was, ging deze Petronella Van Otterdijk aanstonds naar Mie Guys. Zij ging op haar beurt op zoek naar haar buurvrouw Barbara Breemans.
In het bevolkingsregister 1881-1890 staat ook het echtpaar Van Lishout-Guys vermeld (zie illustratie).
De familie Guys was afkomstig uit Kaulille en kwam omstreeks 1854-1857 in Achel wonen. Dochter Maria Guys (°1841-†1912) trouwde met geboren en getogen Achelaar Antoon Van Lishout (°1844-†1918). Zijn beroep was winkelier. Zij bouwden in 1874 de woning die thans als café 'Het Molenhuis' wordt uitgebaat.
Mie Guys was een energieke vrouw. Samen met haar man runde ze een kruidenierswinkel en een herberg, annex eethuis. Als klant kwam niet alleen de lokale bevolking over de vloer maar ook spoorwegpersoneel, handelaars en mensen die aan de overkant van de Dorpsstraat in het vredegrecht/gemeentehuis van Achel moesten zijn.
De erfgenamen van Antoon Van Lishout-Maria Guys verkochten in 1912 de woning en de grond aan Jan (roepnaam Zjang) Thijs (°10.06.1883-†03.05.1961) en Marie Coenjaerts (°13.11.1884-†03.05.1961). De winkel en de herberg werden verder door hen uitgebaat. Nadat in 1923 de elektriciteit in Achel kwam, bouwde Zjang Thijs in de achterbouw een graanmolen. Het was de eerste elektrisch aangedreven graanmolen in Limburg. Zoon Pier Thijs zou later de molen draaiende houden tot in 1978. De winkel van 'Marie van Zjang Thijs' bleef open tot 1962.( Als kind kon je bij Marie vier harde 'Kenniskaramellen' kopen voor 1 frank.)
Mie Guys werd ondervraagd op donderdag 27 mei 1886.
Onderzoeksrechter Boni, bijgestaan door griffier Polus nemen het verhoor af in het vredegerecht/gemeenthuis van Achel.
Mie Guys: “…..Ik ben in het huis van de gebuurvrouw Teuwkens gaan zien, het was ledig. De deuren waren open. Ik ben gaan zien in den stal, de schuur, in de keuken, in de schop en in de slaapkamer van de vrouw, haar bed was toe. Ik ben ook nog eens gaan zien door de raam van het kamerken langs mijnen kant. Nergens heb ik iemand gezien., niets gehoord.
I
De Dorpsstraat zoals ze was op het einde van de 18de eeuw. Links het huis van Antoon Van Lishout en Mie Guys. Boven de ingangsdeur staat de naam van het café 'In de Welkom'. Het volgende huis links is herberg de 'Prins van Luik'. Aan de kerk ver-derop is duidelijk te zien dat de toren nog 'voor' het kerkschip staat.k ben terug naar huis gegaan en ben omtrent tien minuten later daarna wederom eens gaan zien uit mijn eigen beweging, en toen heb ik het jongsken Teuwkens (zoon Jan Teuwkens, nvdr) achter den Doel gezien (de beugelbaan en kegelbaan, nvdr).”
Ik heb hem gevraagd: ‘Jan waar is uw moeder?’. ‘Dat weet ik niet’, hernam het kind. Daar is niemand in huis, hernam ik, blijft hier en waakt over het huis. ‘Dat zal ik haar toch eens zeggen.’, antwoord het jongsken. Het meisje heb ik toen niet gezien”.
“Ik ben wederom terug naar huis gegaan en omtrent tien minuten wederom eens gaan kijken en het jongsken in het huis aan tafel bevonden alleen met kaarten aan het spelen. Is moeder nog niet thuis?, vraag ik aan het kind en het kind antwoorde neen, en mij draaiende zag ik de vrouw Teuwkens juist in de deur van den gang waar de botermolen staat. Van welke kant dat de vrouw kwam, heb ik niet kunnen zien.
Maar vrouw, waar zijt gij heen geweest?, vraag ik. ‘In den aardappelen kelder’, antwoorde zij. Ik bemerkte dat zij gans verbleekte in haar aangezicht. En gij laat uw huis zoo lang alleen staan, zegde ik, terwijl zij nog eenige stappen voortging en zich aan de botermolen vasthield, en dan zakte zij ineen op den grond. Ik riep hulp in en Jan loopt gauw naar de vrouw Witters, zij is de vrouw van den onderwijzer die juist tegenover de weduwe Teuwkens woont. Ik stond daar geheel bevreesd, de weduwe Teuwkens is onmiddelijk tot haarzelve herkomen en opgestaan en de keuken ingekomen. De vrouw Witters is ingekomen en heeft haar iets laten drinken, de vrouw Teuwkens had lauw drinken gevraagd; en in het gedacht dat daar iets gebeurd was, ben ik dan gaan kijken in den aardappelenkelder omdat de vrouw mij geantwoord had dat zij van daar afkwam en dat ik ook zag dat zij dunner van lijf geworden was. Ik heb in den aardappelenkelder niets gevonden en ben terug de keuken ingekomen. Daar heb ik de weduwe Teuwkens hooren zeggen dat zij eene duizeling gehad had, de welke zij dikwijls een kreeg bijzonderlijk als zij de regels kreeg, dat zij dadelijk wat zou te bed gaan. Ik ben nog wat gebleven, heb haar geraden van het bed in te gaan, maar zij is op den stoel blijven zitten.
Ik ben terug naar huis gegaan en daar was de vrouw Peels. Aan deze zeggende wat ik kwam te zien en dat ik de vrouw Teuwkens gansch veranderd en dunner zag, is zij dat aan huis gaan zeggen aan Sjonkeren, en kort daarop is vrouw Peels bij mij terug gekomen en zegde dat ik eens moest gaan kijken op het gemak neffens den varkensstal. Of zij erbij gevraagd heeft zoo gelijk gij mij het vraagt dat Sjonkeren overal is gaan zien uitgenomen op dat huisje, dat herinner ik mij niet.
Ik ben dadelijk gaan zien op dat huisje, de deur was ervan toe getrokken. Op den grond, vlak voor den bril, lag een weinig assche gestrooid, op de grootte van een paar handen, alsof de assche wat vuiligheid bedekte, maar ik heb die vuiligheid niet bestadigd en er ook niet naar gezocht. Ik heb ook geen bloed op den bril van het huisje gezien en ik heb ook niet binnen in het huisje gekijkt, maar ik moet zeggen dat ik daar bijzonder niet heb opgelet in mijn haast.
Foto: Mie Guys - zittend achter de tafel – en vier dames heffen samen het glas wijn. Echtgenoot Antoon Van Lishout mocht blijkbaar niet op de foto en steekt van achter de raam boos zijn tong uit toen de fotograaf van dienst dit kiekje maakteIk heb dadelijk den deksel van den beerenput achter dat huisje gaan oplichten, en zag dat daar een kindje inlag, het lag omtrent in het midden van den kuil met het gezicht naar onder, het hoofdje gedraaid in de richting van den bril van het huisje. Het rugje en de billekens kon ik ook zien; maar de voetjes en de handjes lagen in den drek. Boven op het hoofdje lag de nageboorte maar bedekte toch niet het gansch hoofdje. Eenen doek of voorschot heb ik er niet zien inliggen.
Ik heb er niet aangeraakt en ben Sjonkeren gaan roepen bij Peels zeggende dat ik het kind al gevonden had. Sjonkeren is medegekomen en bijmiddel van eenen houten gritsel hebben wij het lijkje hertrokken en bestadigd dat het een kindje was.
Terwijl wij zulk verrichtten heeft vrouw Teuwkens op de ruit van hare venster geklopt en deze optrekkend riep zij van uit hare slaapkamer dat ik eens moest bij haar komen. Daarkomende vond ik haar leunende staan tegen haar bed.
‘Daar is mij een ongeluk overkomen’, zegde zij. Dat is geen ongeluk, antwoorde ik, gij hadt mij eerder moeten roepen.
‘Kom eens hier, kom eens hier’, riep zij, maar ik was te kwaad en te ontsteld en ben aangegaan en of ik toen naar huis ben gegaan of niet, dat weet ik niet, maar ik ben toch kort daarop terug bij de vrouw gekomen.
‘Och toe, help mij toch’, zijde zij, ‘gij kunt mij helpen’. Waarbij zou ik u kunnen helpen?
- ‘Gij kunt mij helpen als gij maar zegt dat het eenen vuilen vleeschklomp is.’
- Neen vrouw, voor heel Achel doe ik geenen valsche eed.
- ‘Ja het kindje is gedoopt, dat is gelukkig’.
- Waar hebt gij dat gedoopt?
- ‘Op het huisken. Het heeft maar effekens geleefd’.
- En de nageboorte dan?
- ‘Die heb ik gehaald.’
- En de pees (navelstreng, nvdr) dan?
- ‘Die heb ik doorgetrokken. Help mij toch, help mij toch, doet veel voor de eer van mijnen heerbroer en van mijn kinderen.’
- Daar hebt gij het niet naar gemaakt!
Intusschentijd was de moeder van de vrouw Teuwkens ook de slaapkamer ingekomen. Vrouw Teuwkens heeft mij alsdan gevraagd in tegenwoordigheid van haren moeder of ik haar niet wat kleinigheden voor een pasgeboren kind had, om laten te zien dat zij dat gereed zou gemaakt hebben, dat zulk haar zou verlichtten.
Toon Van Lishout, echtgenoot van Mie Guys
Zij sloeg haren armen rond mijnen hals al smeekend, en toen heb ik uit medelijden geantwoord ‘ja’. De moeder is bij mij gekomen en ik heb haar twee hemdekens, eenen wendel en eenen baaiendoek gegeven, op condities dat de moeder moest goed zwijgen dat ik haar zulk gegeven heb na den voorval.
Gisteren is het gerecht van Hasselt aan mijn huis aangekomen. Toen heb ik mijnen man (Toon Van Lishout, zie foto nvdr) gestuurd naar weduwe Teuwkens en die voorwerpen terug gehaald.
Ik heb de zaak van het gevonden lijk gisteren ook seffens gaan aangeven bij den burgemeester. Ik heb de moeder van Teuwkens doen roepen door het klein jongsken, om te zeggen dat ik de vrouw aan de botermolen heb zien vallen.
Toen de moeder is gekomen was het lijk reeds gevonden. Volgens mijn gedacht was de moeder niet aanwezig toen die zaak gebeurd is. De moeder deed niets dan weenen, en was, evenals ik, sterk getroffen”.
Voorgelezen, volhartdt en teekent met ons de griffier,
(gevolgd door de handtekeningen van J.M. Guys, griffier Polus en onderzoeksrechter Ferdinand Boni)
De getuige voegt nog bij dat zij met de weduwe Teuwkens in haar slaapkamer was, deze haar ook bevestigd heeft dat haren voorschot in het gemak lag. Dezen is als dan ook uit den drek gehaald.
(Opnieuw gevolgd door de drie handtekeningen van Mie Guys, griffier Polus en onderzoeksrechter Boni.)
Getuigenis van een inwoner van het 'Eindt' in Achel.
Het was een gewone dagloner die ook bekend stond als iemand die – zonder gediplomeerd te zijn – vrouwen advies verstrekte tijdens hun zwangerschap of bij een geboorte als 'vroedman' optrad.
Ook bij de vrouw Barbara Breemans die terecht stond voor de moord op haar pasgeboren kind, had hij voor de bevalling gynaecologische handelingen uitgevoerd. Tijdens het assisenproces werd omtrent deze handelingen een ‘welles-nietes’ spelletje gespeeld tussen de verdachte en de getuige.
In die tijd was het blijkbaar de gewoonte dat de personen welke ondervraagd werden, zich niet buiten hun dorp dienden te begeven om een verklaring af te leggen. Onderzoeksrechter Ferdinand Boni kwam immers op 30 mei 1886 naar Achel en ondervroeg verschillende getuigen in het vredegerecht/gemeentehuis van Achel.
Hierna volgt wat er expliciet te lezen valt in het getuigenis van dagloner Jan Didden. We eindigen deze driedelige bijdrage met de uitspraak van de jury van het assisenhof te Tongeren.
In het jaar achttien honderd zes- en- tachtig den 30 Mei voor ons Ferdinand Boni, Instructierechter van het rechterlijk arrondissement Hasselt provincie Limburg, bijgestaan door onzen Griffier, is, in het Gemeentehuis te Achel, krachtens onzen waarschuwingsbrief, gedagteekend op heden, verschenen de hierna te noemen getuige, in zake het openbaar Ministerie tegen BARBARA BREEMANS, weduwe TEUWKENS beticht van kindermoord, getuige, die, na vertooning van den waarschuwingsbrief hem overhandigd om getuigenis te geven, afzonderlijk en buiten de tegenwoordigheid van den betichte, is afgehoord geworden.
De getuige, na in onze handen den eed afgelegd te hebben de gansche waarheid te zeggen, niets dan de waarheid, met bijvoeging der formule: “Zoo waar helpe mij God” heeft, op onze vraag, gezegd te heeten:
Didden, Jan, oud 61 jaar, dagloner, wonende te Achel.
noch bloedverwant, noch aanverwant, noch dienstbode van den betichte te zijn, en getuigd (sic) zoals volgt:
– Wij geven aan de getuige lezing van zijn verhoor ontvangen door den heer Vrederechter. Hij zegt niet bekend te hebben dat hij de weduwe Teuwkens in februari ll., op hare vraag zoude gevisiteerd hebben.
V= vraag van de onderzoeksrechter
A= antwoord van de getuige
V. Het staat nogtans hier aangeschreven dat gij het gezegde der weduwe Teuwkens wegens dat punt zoudt bekend hebben?
A. Neen. Ik heb toen zoals nu dat gezegde afgestreden.
V. Heeft de weduwe u soms niet gevraagd van haar eenen misval te verwekken?
A. Neen die vrouw heeft mij van haren toestand nooit aangesproken.
V. Wij zeggen aan de getuige van met ons te gaan in tegenwoordigheid der verdachte vrouw Teuwkens.
Hij stemt hierin toe.
– De verdachte houdt staande hetgeen zij vorige keer verklaard heeft.
– De getuige volhardt met het af te strijden zooals hierboven gezegd is.
– De verdachte zegt ons dat de gendarme Detaye tegenwoordig was toen Didden voor den heer Vrederechter is afgehoord geworden.
– De gendarme Detaye Dominique, oud 36 jaar der brigade van Overpelt, ingeroepen zijnde, doet den eed de gehele waarheid te zeggen, niets dan de waarheid, erbij voegende:
'Zoo waar helpe mij God' en getuigt als volgt:
“Ik heb gehoord dat Didden Jan, aan den heer Vrederechter bekend heeft dat het waar was, dat hij de weduwe Teuwkens gevisiteerd had, zoogelijk deze het beweerde; maar dat hij afstreed gezegd te hebben dat hij het voor eene borrel zou afgespeeld hebben.”

Didden op ondervraging antwoordt indien hij zulks zou gezegd hebben, het buiten zijnen weet geweest is, en dat hij ook niet weet dat hij ze gevisiteerd heeft.
De verdachte zegt dat zij aan Didden verklaard had dat men over haar zooveel sprak, en dat Didden haar toen zegde: “Laat mij u eens visiteeren dan zal ik zien wat er van waar is. Dat was op een morgenstond als Didden hiergekomen was om kolen te kopen. Ik heb mij hier in de keuken tegen den muur rechtgezet, tusschen het venster en het schap neffens de schouw, en daar heeft Didden mij gevisiteerd.”
Didden roept daarop uit: “Gij ziet wel dat het niet waar is! Vorige keer heeft zij u gezegd, dat zij mij gevraagd had om haar te visiteeren, en nu zegt zij, dat ik het haar aangeboden heb van haar te visiteeren.”
De verdachte antwoordt dat het geweest is zoogelijk zij nu komt te zeggen.
Ten slotte eindigt Didden met te zeggen dat het mogelijk is dat hij de weduwe gevisiteerd heeft maar dat hij het toch niet weet, dat hij dan dronken moet geweest zijn.
De verdachte zegt dat hij wel eene druppel kon gedronken hebben, maar niet zat was. Zij zegt dat Didden haar op haren buik getast heeft en met zijnen hand in haar vrouwelijkheid geweest is. Dat heeft slechts eenige minuten geduurd. Zij heeft aan Didden daarna twee of drie borrels gegeven.
Zij zegt dat Didden haar geen pijn gedaan heeft bij het visiteeren.
Nota: hiermee geeft getuige Didden aan dat hij niet kon schrijven
Voorgelezen, volharden de getuigen en teekent de getuige Detaye met de verdachte en ons en onzen Griffier.
De getuige Didden verklaart zulks onkundig te zijn.
De dienstmeid
Op de lijst staan getuigen: vier dienstmeiden en één dienstknecht.
Onderzoeksrechter Ferdinand Boni trachtte ook aan de weet te komen wie de vader van het kindje zou kunnen zijn dat op 26 mei 1886 dood werd aangetroffen in de beerput van het toilet van het logementhuis.
Op 19 juni 1886 werd dienstmeid Francisca Peeters, 22 jaar, woonachtig op de Witteberg te Achel ontboden op het onderzoekskabinet te Hasselt. De griffier, Evarist Polus, notuleerde toen volgend verslag:
V. Gij hebt mij gezegd dat gij twee jaren gewoond hebt bij de weduwe Teuwkens en dat gij daar in januari vertrokken zijt, zoodat gij daar waart in augustus verleden jaar?
A. Ja. Ik ben na mijn ziekte daar terug gekomen vrijdags vóór de kermis van Achel, die valt op den eersten zondag van augustus.
V. Gij hebt dus in de loop van die maand twee kostgangers daar zien aankomen?
A. Ja, Charel Spetebroot en Jozef waarvan ik den familienaam niet ken.
V. Waren dat getrouwden misschien?
A. Jef heeft altijd gezegd dat hij getrouwd was, en Charel liet zich altijd aangeven dat hij niet getrouwd was.
V. Hebt gij het Charel hooren zeggen?
A. Dat weet ik wel niet, maar hij heeft zich toch altijd laten aangaan dat hij niet getrouwd was, en zoo ik heb ik hem ook aanschouwd en de anderen van het huisgezin ook.
Ik heb hem niet hooren spreken van zijnen vrouw of kinderen. Hij kreeg nogal veel brieven en gazetten, maar ik heb niet hooren spreken van vrouw of kinderen.
V. Jef en Charel sliepen zij samen op dezelfde kamer?
A. Ja.
V. Gingen zij tegelijk slapen?
A. Dat was zoal gelijk het viel, Charel las nog al 's avonds.
V. Waar sliep hij?
A. Onder in eenen kamer neffens de herbergplaats. Er is toegang van de herbergplaats in die kamer.
V. Hebt gij ooit iets of wat betrekking gemerkt tusschen Charel en de weduwe Teuwkens?
A. Neen. Maar eenen avond was ik slapen gegaan en ik meende dat de vrouw mij zou nagekomen zijn. Ons werk was gedaan, niemand vreemds was meer in de herberg, Charel die in de herbergplaats was, maakte zich gereed om ook slapen te gaan, toen ik mijnen slaapkamer ben ingegaan.
Ik was reeds te bed en de vrouw bleef achter. Zoo omtrent een kwartier was verloopen zijnde kwam mij dat aardig voor. Ik ben opgestaan, de vrouw niet ziende in de keuken, ben ik gegaan tot in den gang, de deur van de herbergplaats stond open, maar er was geen licht in de plaats, en ik zag dat de deur van de slaapkamer van Charel openstond en dat er licht in die kamer was.
Ik ben niet verder durven doorgaan en ben terug te bed gekeerd. De vrouw is daarna onze slaapkamer ingekomen, ik kan niet zeggen juist hoelang daarna, maar ik was toch nog niet in slaap als zij binnen kwam. Ik heb niets gezegd en zij ook niet.
V. Hebt gij de buitendeuren voor of achter horen open of toegaan?
A. Neen., die had ik zelf volgens gewoonte gesloten en heb die niet hooren ontsluiten.
V. Kunt gij mij den tijd bepalen op denwelken dat geval plaats heeft gehad?
A. Neen, dat kan ik niet juist zeggen. Dat kan geweest zijn in de maand augustus.
V. Was Jef die avond ook daar in het logement?
A. Neen. Die was toen niet daar, die was terug naar Brussel.
Uitspraak van de gezworenen
Op 10 augustus 1886 sprak de jury van het assisenhof te Tongeren zich uit of Barbara Breemans schuldig was of niet.
Hierbij een kopie van het oordeel van de jury:
Hof van Assisen
der provincie Limburg
Vragen voorgesteld en aan de gezworenen overhandigd door den ondergeteekende Voorzitter van het Hof van Assisen der provincie Limburg, in openbare zitting van het Hof, ten paleize van justitie te Tongeren, den tiende augustus achttien honderd zes en tachtig
Eerste vraag
Voorname dood
Is Maria Barbara Breemans, weduwe Teuwkens, hier tegenwoordig en beschuldigd, plichtig van te Achel, den 26ste Mei 1886, vrijwillig en met inzicht van ter dood te brengen, een doodslag begaan te hebben op haar onwettig kind op het oogenblik van zijne geboorte of onmmiddelijk daarna?
Op mijnen eer en geweten.
Voor God en voor de menschen.
Het antwoord van de jury is,
Neen
2de vraag
Bezwarende omstandigheid
Heeft de beschuldigde voornoemd de misdaad in de eerste vraag aangehaald begaan met voorbedachte raad?
Op de 2de vraag,
Nota: omdat op de eerste vraag Neen werd geantwoord, verviel de voorbedachtheid en diende de tweede vraag niet meer beantwoord te worden.

Kindermoorden tussen 1890 en 1910
De directeur van het rijksarchief te Hasselt, Rombout Nijssen, heeft onlangs een onderzoek afgerond naar kindermoorden in de periode van 1890-1910. Hieruit blijkt duidelijk dat het doden van 'ongewenste' baby's iets van alle tijden is. De rijksarchivaris kwam uit op 12 kindermoorden en nam deze onder de loep.
Volgens Nijssen werden einde 19de eeuw veel 'voorkinderen' geboren, kinderen geboren uit buitenechtelijke relaties. In de katholieke leefgemeenschappen werd daar schande over gesproken en dan kon het wel eens gebeuren dat die baby's uit de weg werden geruimd door ofwel de moeder of grootmoeder van de baby.
Hij kwam ook tot de verrassende vaststelling dat van de 12 kindermoorden het liefst 8 keer tot een vrijspraak kwam, ook al lag het er tijdens de assisenprocessen meestal vingerdik op dat de feiten duidelijk wezen op kindermoord. Wanneer de verdachte de moord bekend had, kwam het tot een veroordeling.
De samenstelling van de jury voor het assisenproces was toen anders dan vandaag. In de periode 1890-1910 bestond nog het cijnskiesrecht wat inhield dat alleen mannen die belastingen betaalden in de jury mochten zetelen. Omdat de jury enkel uit kiesgerechtigden bestond, zetelden er alleen personen in met hoge functies zoals renteniers, advocaten, notarissen ambtenaren en apothekers. (1)
Kindermoord in 1820 te Achel
Dat kindermoorden van alle tijden zijn, moge blijken uit volgend persknipsel van het 'Journal de la provence de Limbourg' van 11 november 1820. Daarin wordt in enkele regels melding gemaakt van een 27-jarige vrouw uit Achel die door het Hof van Assisen werd vrijgesproken.

Vertaling: Bij de zitting van gisteren (10 november 1820, nvdr) heeft het Hof verklaard dat Henriette-Elisabeth Daniels, 27 jaar oud, dagloner, geboren en verblijvende te Achel, niet in staat was om de haar toegeschreven misdaad, het 'verbergen' of verdwijnen van een kind dat zij gebaard heeft in de maand juli laatstleden: zij werd, dienovereenkomstig, in vrijheid gesteld
Bron: Rijksarchief te Hasselt
Onderzoek: Mia Van der Velden, Neerpelt
Samenstelling: René Winters
